Dinsdag 2 april

Moeder J. komt binnen, het mobiel in en haar zoontje aan haar hand. Ze heeft een afspraak met Buurman J., zegt ze, en maakt haar telefoongesprek voort. Haar zoontje laat zijn verlegenheid bij de deur liggen. Op zijn loopfietsje ijlt hij naar de schat aan boekjes, kleurpotloden en spelletjes en plaatjes. Hij wil ze allemaal zien en omkeren.

Moeder ziet haar manneke rondwaren en ruimt, licht gegeneerd, de potloden op. Ze doet de kaartjes weer in de doosjes en de dobbelstenen in de beker.

Buurman J. probeert haar onderwijl uit te leggen, dat de Belastingdienst geen boodschap heeft aan haar bezwaren. Ze moet terugbetalen, ook al heeft ze geen enkele schuld aan het ontstaan van het probleem. Dat begrijpt ze, maar niet waarom en ook niet waarvan. In zichzelf verzonken staart ze naar haar manneke dat zich prima vermaakt. Buurman J. gaat weer in gesprek met de mevrouw van de Belastingdienst die ook wel anders zou willen maar niet anders kan.

Buurman J. vervolgt het gesprek in een andere ruimte. Moeder volgt hem en het manneke pendelt van het ene naar het andere lokaal. “Ik let wel op de baby!”, zegt S. en trots rent hij achter hem aan. Niet veel later kijkt hij verschrikt rond. Waar is de baby? En weg is hij weer. Het manneke komt vanonder een tafel op zijn loopfietsje te voorschijn.

Na enige tijd keert Buurman J. terug met een verslagen blik in de ogen. Alleen.

Zou het manneke nog eens aan onze Buurschool terugdenken?