Maandelijks archief: april 2019

Dinsdag 23 april

Donderdag namen we afscheid van elkaar met de aankondiging dat we donderdag 25 april voor het laatst bijeen zouden komen. Mehr. trok haar wenkbrauwen iets samen. Een bijzonderheid, Zij leek het maar niets te vinden.

“Oh, maar dan kunnen wij niet!”, zei Meha. Wij begrepen dat het druk zou zijn met de voorbereidingen op het Eritrese Pasen, een week later dan de Nederlandse versie. Een van de belangrijkste feesten die vooraf wordt gegaan door een periode van maar liefst veertig dagen waarin geen dierlijke producten gegeten mogen worden. Niet eenvoudig in een wereld waarin veel voedsel is voorbewerkt.  Wel een goede manier om te leren wat er in zit.

“Dan is dinsdag dus de laatste Buurschool!”, zei Buurvrouw W. verrast. En dat is vandaag. Buurvrouw W. en Buurman H. zitten als altijd om 16.00 uur klaar, met wat extra fruit, want daar zit geen dierlijk ingrediënt in. Dit keer ook aardbeien en wat pruimen. Een feestelijk tintje ten afscheid.

Tegen half vijf kwam Buurvrouw E. Alsof er geen week zat tussen nu en  haar mopperpartij op de Nederlandse taal en dat vermaledijde lesboek van Meh.. Zij pleitte voor een buddysysteem. “Daar hebben ze veel meer aan!” Buurman H. ging een eind met haar mee. Hij is een groot voorstander van het faciliteren van contacten van nieuwkomers met Nederlanders van origine. En dan in het kader van een vijfdaagse schoolweek. Kortom, breng de theorie in praktijk. Daar waar Buurschool voor bedoeld was en ook een tijd lang voor was, tot de jongeren hun plaats vrijwillig afstonden aan de ouderen en de jongsten die hier kwamen in het kader van gezinshereniging. Buurschool werd een reguliere school en heeft zo geen toegevoegde waarde meer. Althans, toegevoegd genoeg naar de normen van Buurman H. Zo is het dan ook wel weer.

Weer een kwartier later kwam Hab. het boek terugbrengen dat hij had geleend. Hij moest meteen weer weg. “Komt je moeder nog?”, vroeg Buurman H. “Nee, die is thuis. Ze laat haar haar vlechten.” “Oh, dan zullen de anderen ook wel niet komen”, dacht Buurman H. Hab. dacht ook van niet.

Buurvrouw E. kreeg het gevoel dat Buurschool als een nachtkaars uitging. Buurman H. vond het prima zo. Onze buren hebben nu andere behoeften. Bovendien is hij een groot liefhebber van fruit.

 

Dinsdag 16 april

Fit. voelt zich thuis in zijn nieuwe woonplaats. Hij verkent zijn omgeving. “Van wie is dit gebouw?”, vraagt hij Buurvrouw W. in een taal die hem acht maanden geleden nog volledig onbekend was. “Dit gebouw is van de gemeente. Het is dus van ons allemaal.”

Fit. denkt diep na. “Ook van de Eritrese mensen?” “Ja hoor, van ons allemaal.” “Woont God hier dan?”, vraagt Fit. Zo had Buurvrouw W. het nog niet bekeken. Ze dacht van niet, maar ze wist wel dat hij in de kerk woont, tegenover de bibliotheek. “Dat kan niet, want God woont in de hemel.” Fit. wist genoeg.

Buurman H. hoorde het aan, oud genoeg om cabaretier Fons Jansen nog te kennen en zijn sketch van de leerling die zijn godsdienstleraar verschrikkelijk stom vond. “Is God overal, ook bij ons in de tuin?”, vroeg hij zijn leraar.  “Ook bij jullie in de tuin.” “Dat kan helemaal niet; we hebben geen tuin!”

Donderdag 11 april

“Dat Nederlands is om te huilen!” Buurvrouw E. probeert met Meh. de leerstof van de vorige keer op te halen. Uit haar leerboek. Toen ging het over verzekeren. Die sluit je af als je ermee begint….

Buurvrouw E. huilt niet alleen, ze is ook nog verontwaardigd. “Hebben ze het in dat boek over ‘perfectum’!” Alsof ze vroeger Latijn hebben gehad. En in dat boek zetten ze achterin keurige rijtjes met vervoegingen. Maar mooi dat daar geen ‘infinitivus’ of ‘perfectum’ boven staat!”

En weer legt Buurvrouw E. uit waarom je wat hoe verzekert. “Waarom verzeker je jezelf?”, vraagt ze aan Meh. “Spullen stuk maken”, antwoordt Meh. Waarop Buurvrouw E. vraagt wie de spullen van wie stukmaakt. Meh. valt stil. Wat bedoelt Buurvrouw E. nu? Die slaakt inmiddels een nieuwe kreet: “Ze schrijven er niet eens bij dat je ook premie moet betalen!” “Ja”, zegt Meh. En zo is het.

 

Dinsdag 9 april

Er is een nieuwe participatiewet op komst. Werk aan de winkel voor de gemeente, die meer dan momenteel de regie krijgt over de integratie van onze buren. Ambtenaar Peter van Linden maakte namens de gemeente Heiloo een goede start door ons de belangrijkste vraag te stellen: wat hebben jullie nodig om in Nederland gelukkig te kunnen worden?

Nou is gelukkig zijn niet voor iedereen hetzelfde, maar over de hoofdweg daar naartoe waren we het snel eens: de taal leren en contacten hebben met Nederlanders. Zo vanzelfsprekend als dit antwoord is, zo moeilijk is de verwerkelijking. Om de koe meteen maar bij de horens te vatten: op de vraag van Buurman Henk of we contacten hebben met Nederlanders buiten school om bleef het  pijnlijk stil. Of we nu een half of drieënhalf jaar hier verblijven, veel verder dan een “goedemorgen” bij de supermarkt komen we niet. Nou ja, die keer dat onze buren op de koffie kwamen uitgezonderd dan. Dan blijkt dat ze twee kopjes, vers uit de automaat, verwachten. Maar onze gastvrijheid schrijft voor dat we de koffie ter plekke branden en de tijd gunnen om te trekken, vier keer, zodat er alle tijd is om te kletsen. Maar ja, dan komen we bij de tweede drempel. Er is genoeg te bepraten, maar waar halen we die Nederlandse woorden vandaan?

Onvoldoende uit de drie dagdelen die wij taalles krijgen. Kunnen we ook vijf dagen per week naar school? En kan de school ons helpen om op school met Nederlanders in gesprek te komen? Bijvoorbeeld over (gezond) eten of (waar en hoe) boodschappen doen? En kan de school met ons op stap gaan, bedrijven bezoeken of ervaringen uitwisselen met de wethouder? Kortom, kunnen we de taal gaan leren door, behalve theorielessen, in contact te komen met Nederlanders in verschillende situaties? Dan leren we meteen twee kopjes koffie en één koekje te genieten.

Meneer van Linden schreef onze wensen allemaal op en zei dat dit nog wel even zou duren. Dat begrepen we. We vinden het al een ervaring dat ons naar onze mening wordt gevraagd.

 

Donderdag 4 april

Mehr. is naar de dokter geweest. Gelukkig heeft zij haar zoon die zich in een jaar tijd in het Nederlands  knap verstaanbaar heeft leren maken. Maar toch, er zijn onderwerpen die je liever zonder je zoon met de dokter wilt bespreken. En dat is al moeilijk genoeg.

Toen Buurman H. vroeg, nadat de kleine a en de grote Z weer in klanken waren omgezet, wat er besproken moest woorden, was Mehr. duidelijk. Zij wees op haar lichaam.

De andere dames vonden het een prima idee; zij kenden het probleem ook. Van top tot een, dacht Buurman H. stoer en hij begon met het h-aa-r. “Huh -aaaaa- rrrrr. Haar. Tot en met de hals ging het van een leien dakje. Hij voelde enige spanning bij het woord “b-o-r-s-t”. Met de handen gaf hij aan dat daar verschillende lichaamsdelen onder verstaan kunnen worden. Buurman H. werd er wat geruster op toen moeder V. haar buurvrouw ging uitleggen dat een vrouw niet alleen een borst heeft maar ook borsten. En ze hield haar beide handen onder die van haarzelf. Het leek de gewoonste zaak van de wereld, ook met Buurman H. erbij.

Zoon H. van moeder V. kwam erbij zitten. Hij lachte heimelijk toen de middelvinger aan de beurt was. Buurman H. vatte de koe bij de horens en vroeg hem naar het waarom. Wel, H. wist prima uit te leggen dat je dit lichaamsdeel beter niet kunt opsteken als je problemen hebt met een ander. “En waarom dan niet?”, vroeg Buurman H. Zoon H. schrompelde ineen, dat durfde hij in aanwezigheid van de dames en dus ook zijn moeder niet te zeggen.

Verder, ging Buurman H.. De spanning nam toe. Buurvrouw E. nam afscheid, het werd tijd om op te stappen. “l-ies-s” schreef Buurman H. op en wees aan waar die te vinden was nadat J. op haar mond had gewezen. Vervolgens kwamen het vrouwelijke en het mannelijke geslachtsdeel aan bod.

Zoon H. kreeg last van een benauwdheid die in Nederland Spaans heet. Hoe zou zijn moeder reageren? Die schreef de letters nauwkeurig over zonder een spier te vertrekken. Zoon H. stak opgelucht lachend zijn hand op naar Buurman H. , want alleen de middelvinger zou misverstanden wekken.

 

Dinsdag 2 april

Moeder J. komt binnen, het mobiel in en haar zoontje aan haar hand. Ze heeft een afspraak met Buurman J., zegt ze, en maakt haar telefoongesprek voort. Haar zoontje laat zijn verlegenheid bij de deur liggen. Op zijn loopfietsje ijlt hij naar de schat aan boekjes, kleurpotloden en spelletjes en plaatjes. Hij wil ze allemaal zien en omkeren.

Moeder ziet haar manneke rondwaren en ruimt, licht gegeneerd, de potloden op. Ze doet de kaartjes weer in de doosjes en de dobbelstenen in de beker.

Buurman J. probeert haar onderwijl uit te leggen, dat de Belastingdienst geen boodschap heeft aan haar bezwaren. Ze moet terugbetalen, ook al heeft ze geen enkele schuld aan het ontstaan van het probleem. Dat begrijpt ze, maar niet waarom en ook niet waarvan. In zichzelf verzonken staart ze naar haar manneke dat zich prima vermaakt. Buurman J. gaat weer in gesprek met de mevrouw van de Belastingdienst die ook wel anders zou willen maar niet anders kan.

Buurman J. vervolgt het gesprek in een andere ruimte. Moeder volgt hem en het manneke pendelt van het ene naar het andere lokaal. “Ik let wel op de baby!”, zegt S. en trots rent hij achter hem aan. Niet veel later kijkt hij verschrikt rond. Waar is de baby? En weg is hij weer. Het manneke komt vanonder een tafel op zijn loopfietsje te voorschijn.

Na enige tijd keert Buurman J. terug met een verslagen blik in de ogen. Alleen.

Zou het manneke nog eens aan onze Buurschool terugdenken?